Nederland telt bijna 1300 meercellige soorten in de Noordzee, waarvan circa 6% exoot is. Dit hebben onderzoekers van Wageningen Marine Research, GiMaRIS en Naturalis Biodiversity Center vastgesteld. De nieuwe soortenlijst is vanaf vandaag digitaal beschikbaar.

De lijst met soorten is op verzoek van het ministerie van Economische Zaken opgesteld. De overheid kan hiermee werken aan behoud en duurzaam gebruik van de natuurlijke biodiversiteit, het ontwikkelen van beleid als  ‘Bouwen met Noordzeenatuur’ om natuurwaarden van bijvoorbeeld offshore windparken te versterken, en het volgen van exoten in de Noordzee.

 Niet eerder hebben we zo’n complete lijst gehad van het leven in de Nederlandse Noordzee. 
Oscar Bos, Wageningen Marine Research

Aantallen Noordzeesoorten

Het totaal aantal zout- en brakwatersoorten in Nederlandse wateren (Noordzee, Waddenzee, Zeeuwse Delta) bedraagt ruim 1909 soorten, waarvan 8% exoten. Hiervan komen 1284 soorten in de Nederlandse Noordzee voor, waarvan 6% exoten. Van de Noordzeesoorten leven er zo’n 622 in de ondiepere Noordzeekustzone (0-20 m diepte) en 847 in de diepere delen. Van de bodemdieren in de Noordzee komen 812 voor op zand- en slibbodems (zacht substraat) en 524 op harde ondergronden zoals stenen, dijken en scheepswrakken en platforms (hard substraat).

“Niet eerder hebben we zo’n complete lijst gehad van het leven in de Nederlandse Noordzee”, zegt onderzoeker Oscar Bos, die vanuit Wageningen Marine Research aan het samenstellen van de soortenlijst heeft gewerkt. “Voor onderzoekers, maar ook voor duikers, strandwandelaars is dit een handige checklist om te zien of een waarneming inderdaad uniek is. En als je wilt weten welke exoten er in de Noordzee zitten, is het nu een kwestie van een druk op de knop. Bij de lijst zitten veel mooie foto’s. Die zijn voor iedereen interessant. Veel mensen hebben geen idee wat er allemaal leeft in zee en hoe kleurrijk het onder water is.”

Biodiversiteit

De grootste soortenrijkdom is te vinden onder de geleedpotigen (krabben, kreeften, garnalen en andere groepen) met 301 soorten in de Noordzee. Andere belangrijke groepen zijn de chordadieren (vissen, zoogdieren, vogels en ook zakpijpen), ringwormen, weekdieren (schelpdieren, zeenaaktslakjes en inktvissen) en holtedieren (anemonen en kwallen). In het World Register of Marine Species (WoRMS) zijn wereldwijd in totaal ca. 214 duizend mariene soorten opgenomen. Uit de nieuwe soortenlijst blijkt in de Noordzee 0,6% van de wereldwijde biodiversiteit voor te komen.

Vergeleken met de totale Nederlandse soortenrijkdom op land en in water (ca 36 duizend soorten) dragen de mariene- en brakwatersoorten (1909 soorten) zo’n 5% bij. Dit percentage lijkt weinig, aangezien de Noordzee en de andere zoutwatergebieden samen maar liefst 62% van het totale Nederlandse oppervlak omvatten. De relatief kleine soortenrijkdom komt door de kleinere habitatdiversiteit in de zee (voornamelijk zandbodem) en het nauwelijks voorkomen van de soortenrijke groepen van insecten en schimmels in de zee. Op een hoger taxonomisch niveau is de biodiversiteit van de zee juist groter dan die op het land: groepen zoals stekelhuidigen, zakpijpen, holtedieren, sponzen of pindawormen komen exclusief in water voor.

infographic.png

Nieuwe soorten

De soortenlijst is samengesteld op basis van nog niet eerder gecombineerde databases en publicaties. Opvallend is dat nog steeds nieuwe soorten voor de Noordzee ontdekt worden, zoals de ‘Zeespriet-kroonslak’ op een scheepswrak en een aantal mosdiertjes op opgeviste visnetten bij scheepswrakken. Het gaat vooral om soorten die in de reguliere bodemmonitoring niet voorkomen, maar wel worden opgemerkt tijdens inventarisaties door bv. Stichting Duik de Noordzee Schoon en Stichting Anemoon, evenals in onderzoek aan olie- en gasplatforms en offshore windparken.

Sinds de afronding van de dataverzameling voor het rapport zijn nog eens 20-25 soorten extra ontdekt die nieuw zijn voor de Noordzee. Het gaat om soorten uit een recente bemonstering van de Klaverbank, een gebied met hard substraat in het westelijk deel van de Noordzee. Verder is er een aantal kelkdiertjes ontdekt en is een mosdiertje aangetroffen op een offshore gasplatform in het midden van de Nederlandse Noordzee. Bij een update van de lijst zullen die soorten worden meegenomen.

In 2016 heeft het bestand volwassen schol het hoogste niveau sinds het begin van de metingen (1957). Ook de haring- en tongstand bevinden zich boven het duurzaamheidsdoel. Het bestand volwassen kabeljauw ligt in 2016 net onder het niveau van het duurzaamheidsdoel.

Haring

De omvang van het bestand volwassen haring fluctueert sterk als gevolg van enerzijds bevissing en anderzijds vangstbeperkende maatregelen. Na de sluiting van de haringvisserij begin jaren zeventig heeft de haringstand zich weer hersteld. Vanaf 1983 is de visserij op haring weer toegestaan. Vlak na 1990 zorgde overbevissing opnieuw voor een aanzienlijke afname van de haringstand. Door enkele sterke jaarklassen (1998, 2000) en vangstbeperkende maatregelen (1996: halvering toegestane haringvangst, beperking industrievisserij) groeide het haringbestand weer. Sinds 1996 ligt de haringstand weer boven de voorzorgsgrens van 1,0 miljard kg volwassen vis, en sinds 2009 weer boven het duurzaamheidsdoel van 1,5 miljard kg in de Noordzee. In 2016 bedraagt de omvang van het bestand volwassen haring 2,0 miljard kg.

Kabeljauw

Het bestand volwassen kabeljauw vertoont tussen 1971 en 2006 een dalende trend. Sinds 1983 ligt het bestand onder de voorzorgsgrens / duurzaamheidsdoel van 165 miljoen kg en sinds 1996 onder de limietgrens van 118 miljoen kg. Dit laatste betekent dat er zo weinig volwassen kabeljauw in de Noordzee zwemt dat de voortplanting van de soort in gevaar komt. Na een historisch dieptepunt van 43 miljoen kg in 2006 is het kabeljauwbestand de laatste jaren weer flink toegenomen. In 2016 ligt de stand met 161 miljoen kg onder de voorzorgsgrens / duurzaamheidsdoel. 
De Europese Unie stelde in 2004 herstelmaatregelen vast voor de kabeljauwbestanden in onder andere de Noordzee, Skagerrak en het oostelijk deel van het Kanaal (EG 423/2004). Omdat deze verordening weinig effectief bleek te hebben (het kabeljauwbestand vertoonde door te hoge bijvangsten nauwelijks herstel), werd in 2008 in een nieuwe verordening (EG 1342/2008) een lange termijn herstelplan vastgesteld dat gericht is op de verdere verlaging van de visserijsterfte.

Schol

Na een piek in de tweede helft van de jaren tachtig daalde het bestand volwassen schol begin jaren negentig in enkele jaren sterk om daarna gedurende een periode van ruim 10 jaar rond de voorzorgsgrens / duurzaamheidsdoel (230 miljoen kg) te blijven schommelen. Na 2007 herstelt het bestand zich sterk als gevolg van de verminderde visserijsterfte. In deze periode groeit de scholstand van 300 miljoen kg in 2007 naar een historisch hoog niveau van 946 miljoen kg in 2016.

Tong

Het bestand volwassen tong fluctueert vooral door sterke schommelingen in het aantal nakomelingen. Door overbevissing worden sterke jaarklassen (jaren met een grote productie van nakomelingen) weer snel opgevist. In de jaren zeventig en tachtig bevond de tongstand zich rond de voorzorgsgrens / duurzaamheidsdoel van 37 miljoen kg. Na een aantal jaren met een hoge stand begin jaren negentig daalde de omvang van het bestand weer en fluctueert sindsdien de meeste jaren tussen de voorzorgsgrens / duurzaamheidsdoel en limietgrens. Sinds 2012 ligt het bestand volwassen tong boven de voorzorgsgrens / duurzaamheidsdoel; in 2016 met een bestandsomvang van 64 miljoen kg.

Uitleg voorzorgsgrens, limietgrens en duurzaamheidsdoel

Voor het visserijbeheer is in de jaren 90 van de vorige eeuw de voorzorgbenadering op basis van het bestand volwassen vis ontwikkeld. Doel hiervan was overbevissing te voorkomen en de visbestanden gezond te houden zodat zij voor voldoende nakomelingen kunnen zorgen. Centraal in dit beheer staan de voorzorgsgrens en limietgrens. Daalt door overbevissing de omvang van een bestand volwassen vis tot onder de voorzorgsgrens, dan moeten maatregelen genomen worden om te voorkomen dat door verdere overbevissing het bestand verder daalt. Beneden de limietgrens komt de voortplanting in gevaar en is de kans op natuurlijk herstel gering omdat er nog maar weinig volwassen vis is om voor de voortplanting te zorgen. 
Tevens is in het kader van de duurzaamheidsbenadering voor alle vier vissoorten een duurzaamheidsdoel vastgesteld. Voor kabeljauw, schol en tong is het duurzaamheidsdoel gelijk aan de voorzorgsgrens; voor haring ligt het duurzaamheidsdoel (1,5 miljard kg) hoger dan de voorzorgsgrens (1,0 miljard kg).

Gemeenschappelijk visserijbeleid

Sinds 1 januari 2014 is er in de EU een nieuw Gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) van kracht (Europese Commissie, 2014). Met het nieuwe GVB moeten de visbestanden weer op een duurzaam niveau komen, moet een einde worden gemaakt aan verspillende visserijpraktijken, en worden nieuwe mogelijkheden gecreëerd voor werkgelegenheid en groei in kustgebieden. 
Om deze doelen te bereiken wordt teruggooi verboden, krijgt de sector meer bevoegdheden, wordt de besluitvorming gedecentraliseerd, krijgt aquacultuur voorrang, wordt kleinschalige visserij ondersteund, wordt de wetenschappelijke kennis over de visstand verbeterd en neemt de EU, in het licht van de internationale overeenkomsten, ook in buitenlandse wateren haar verantwoordelijkheid.
Centraal in het nieuwe visserijbeleid staat het begrip duurzaamheid, zowel vanuit ecologisch, economisch als sociaal oogpunt (Maximum Sustainable Yield, MSY). In het nieuwe beleid is naast de omvang van het visbestand ook de hoogte van de visserijsterfte maatgevend voor het beheer.

’Vis zat in Noordzee, maar vangen mag niet’

De stoom komt uit de oren bij de Noordzeevissers. De ene dag komen visserijbiologen met het nieuws dat het nog nooit zo goed is gegaan met de visstand in de Noordzee. De scholstand is zelfs historisch hoog. Het volgende moment krijgen ze een vangstbeperking opgelegd van 35% voor schol en ook de tong (-7%) en kabeljauwvangsten (-12%) moeten worden beperkt. En de Engelsen zeggen een viserijverdrag op.

Pim Visser uit Den Helder, directeur van brancheorganisatie VisNed is verbijsterd. ,,Uit voorzichtigheid willen ze het bestand niet laten groeien. En ze zien ook minder dikke schollen. Dat klopt. Er is gewoon te weinig te vreten voor ze in zee. Gemiddeld zat er de afgelopen vijftig jaar 375.000 ton schol in de Noordzee en nu is het drie keer zoveel: bijna een miljoen ton. Hoe kun je onderbouwen dat er minder gevangen mag worden, terwijl het nog nooit zo goed is gegaan met de hoeveelheid schol in de Noordzee? In het advies noemen ze de scholstand in de Noordzee ’ruim boven de veilige biologische grenzen.’’

De Internationale Raad voor Onderzoek der Zee (ICES) die de vangstadviezen in Europa geeft, is volgens Visser een soort dwangbuis aan het worden. ,,Ze gebruiken hele rare rekenmodellen waar niets van klopt. We gaan de Haagse politiek en Europa bewerken om hier een stokje voor te steken.’’

Visserijonderzoeker en analist Niels Hintzen van Wageningen Marine Research snapt de frustratie bij de vissers. ,,Het is een lastig verhaal, maar het potentieel onder de schol wordt minder. De groei begint af te vlakken. We rekenen altijd met de volwassen paaivis, maar de jongere jaren doen het minder goed qua aanwas.’’

Vorig jaar werd ook geadviseerd om de scholvangsten te beperken (met 15%) maar dat is niet doorgevoerd door een lobby van de vissers.Volgens Hintzen wordt met de beperking van 35% daarin nu een inhaalslag gemaakt, met daarnaast ook een grote rol van de mindere aanwas in deze vangstadviezen.

Pootje gelicht

Dirk Kraak schipper op de BRA 7 en bestuurder van vissersorganisatie Eendracht Maakt Kracht heeft het gevoel dat de wetenschap de vissers nu pootje licht. ,,Sinds de vissersvloot is gehalveerd, kunnen we het gewoon niet kapot vissen. We hebben jaren de adviezen van de wetenschap gevolgd en daardoor is de visstand gegroeid. Als we zouden moeten beperken omdat er geen vis is, zouden we dat natuurlijk doen want wij willen een gezonde zee houden. Minder vissen is niet altijd erg, want dan verandert de prijs tenslotte ook’’, zegt de Helderse visserman. ,,Maar de vis is er, dat laten de biologen zelf zien.’’

Cor Vonk van de TX1 vult aan dat in 2019 als de aanlandplicht een feit is, vissers ook de onverkoopbare bijvangst moeten aanlanden die dan van het quotum wordt afgetrokken. ,,Dan is het quotum veel te laag.’’

Hardere acties

Er zijn al vissers zoals Texelaar Frido Boom die oproept tot hardere actie. De groei van windmolenparken en zeereservaten, het mogelijk intrekken van pulsvergunningen (elektrisch vissen), de aanlandplicht, Brexit en nu de nieuwe vangstadviezen van ICES zijn hem te veel. Maar Kraak voelt niet zo voor harde acties. ,,Die hebben nooit zoveel opgeleverd. Dan keert de politiek zich tegen je en die hebben we nu juist heel hard nodig.’’

Nico van der Plas van de Katwijk 5 heeft tien jaar geleden al eens gedacht aan harde acties. ,,Het is lastig vechten tegen een groene lobby die de visserman niet gelooft. Het lijkt wel alsof ze de vissers van de Noordzee weg willen jagen. Vorig jaar is zestig procent van het scholquotum opgevist en nu halen ze er weer van af terwijl het gezond is. Dat is alsof je bij een veilige snelheid van zestig kilometer wordt gedwongen om dertig te gaan rijden.’’

Hoop

Pim Visser van VisNed zoekt de lobby op en houdt hoop. ,,Het is tenslotte een advies. Aan het eind van het jaar stelt de Raad van Visserijministers de toegestane vangsten voor 2018 vast. Wij rekenen erop dat het gezonde verstand bij deze beleidsmakers wél zal zegevieren.’’

Vangstadvies KADER:

De belangrijkste visbestanden voor de Nederlandse visserij in de Noordzee staan er door de lage visserijdruk goed voor, vindt de Internationale Raad voor Onderzoek der Zee (ICES). ICES maakt elk jaar een schatting van de bestanden en de hoogte van de visserijdruk en geeft daarna advies over hoeveel er zou mogen worden gevangen. Het Europese beleid heeft als doel om de visserijdruk zo te reguleren dat de maximaal duurzame oogst (MSY, ‘Maximum Sustainable Yield’) wordt behaald. Dit is de visserijdruk die leidt tot de hoogst mogelijke oogst van een visbestand op de lange termijn.

Volgens ICES staat het bestand Noordzeeharing ’er nog steeds goed voor en is de visserijdruk laag’. De stand van volwassen Noordzeetong bevindt zich volgens ICES ’de laatste jaren boven het veilige niveau’. Het bestand volwassen schol in de Noordzee en Skagerrak ’blijft doorgroeien en bevindt zich ruim boven de veilige biologische grenzen.’

De Noordzee kabeljauwstand bereikte in 2006 een historisch dieptepunt. Het herstel verliep volgens ICES traag maar ’het bestand wordt dit jaar voor het eerst als gezond beoordeeld’ en ’het lijkt er op dat voor het eerst sinds het begin van deze eeuw weer een sterkere jaarklasse aankomt, die het bestand in de toekomst verder zal laten groeien.’