Zeevissen

In de Noordzee leven ongeveer 220 vissoorten. De ene vis leeft heel anders dan de andere. Haringen en makrelen zijn bijvoorbeeld planktoneters die vaak vlak onder het zeeoppervlak te vinden zijn. Tong, schol en de meeste haaien- en roggensoorten zijn bodemvissen. Zij jagen op bodemdieren zoals wormen, krabbetjes en garnalen. En dan zijn er nog de echte rovers: zeevissen die jagen op andere zeevissen: kabeljauwen en zeebaarzen bijvoorbeeld.

Kabeljauw  

Kabeljauw (© Joachim S. Müller)

Een leven lang onder water

Alle vissen zwemmen, maar niet op dezelfde manier. Stayers als makreel, haring en sprot kunnen lange tijd behoorlijk snel zwemmen. Kabeljauw, schelvis, tong en schol zijn sprinters: zij kunnen korte tijd snel zwemmen. Het verschil is goed te zien aan de spieren. Bij stayers zijn de spieren goed doorbloed, dus rood. Sprinters hebben witte spieren, die snel uitgeput raken.

Haring en makreel leven in de bovenste waterlaag, meestal in grote scholen. Hun voedsel bestaat uit plankton of kleine vis. Deze bewoners van open zee noemt men pelagische vissen. Ze hebben vaak een speciale kleur om niet op te vallen: een groenblauwe rug en een zilverwitte buik. Voor zeevogels is de vis slecht te zien in het groenblauwe oppervlaktewater. Voor roofvissen valt het dier van onderen gezien weg tegen het heldere licht. Ze zwemmen in scholen omdat ze dan beter beschermd zijn tegen roofvissen, en omdat zwemmen in scholen energie bespaart. De vis maakt in een school gebruik van de wervelingen in de waterstroming die zijn voorganger maakt.

Bodemvissen, zoals schol en tong, leven op de zeebodem en voeden zich met bodemdieren en kleine vissoorten. Vaak hebben ze een kleurpatroon dat lijkt op de zeebodem. Tarbotten kunnen zelfs hun kleur aan de omgeving aanpassen. Bodemvissen graven zich ook vaak in.

Roofvissen voeden zich met kleinere vissen. Zij jagen zowel bij de bodem (kabeljauw en schelvis) als dicht bij het wateroppervlak (geep, zeebaars en wijting). Het zijn snelle zwemmers met een grote bek en vaak scherpe, naar achteren gerichte tanden.

Steenbolk  

Steenbolk (© Ecomare)

Voortplanting

Vissen leggen vaak veel eitjes, vooral de soorten die vrij in het water zweven. Een kabeljauw legt tot één miljoen eitjes per jaar. De meeste viseitjes en -larven worden opgegeten door andere dieren. Bij haring en zandspiering worden de eitjes op de zeebodem afgezet. Die zijn minder kwetsbaar, zodat deze vissen met minder toe kunnen. Zo produceert de haring per jaar 30.000 eitjes. Andere soorten, zoals hondshaai en stekelrog, leggen nog minder eieren, zo’n 140 stuks.

Vissen hebben voor hun voortplanting vaste plekken. Zo zetten haringen hun eitjes (kuit) alleen af op grind of schelpenbanken, o.a. voor de Engelse en Schotse kust. Na het bevruchten van de eitjes door de mannetjes met zaad (hom) gaan de vissen naar de noordelijke en centrale Noordzee. Zandspieringen leggen hun eitjes in het zand. 

De eieren en larven van haring, kabeljauw, platvissen en veel andere soorten horen bij het dierlijk plankton. Ze leven in de bovenste waterlagen van de zee en eten voornamelijk roeipootkreeftjes. Als ze groter worden kunnen ze zich tegen de stroom in zwemmen en behoren dan niet meer tot het plankton. Soorten als haring en sprot gaan dan zelf plankton eten. Ze eten niet zelden de larven van hun eigen soort.

Paaiplaatsen en kinderkamers

Het gebied waar de vrouwtjes kuitschieten en de mannetjes de eitjes bevruchten, heet de paaiplaats. Vislarven groeien het best op in zeegebieden met een grote voedselrijkdom: de kinderkamers. De paaiplaatsen liggen zo, dat de larven door de stromingen in een kinderkamergebied terecht komen. Het verschil in goede en slechte jaren bij vissen komt misschien wel vooral door verschillende     stromingspatronen. Kustwateren zoals de Waddenzee zijn kinderkamer of paaigebied voor een aantal vissoorten die voorkomen in de Noordzee. Haring, zandspiering, kabeljauw en schol paaien een flink eind uit de kust. Hun kinderkamers liggen direct voor de kust en in de Waddenzee.

Eten en gegeten worden

Vissen zijn niet de enige dieren die in de Noordzee leven. In zee bestaat een grote verscheidenheid aan planten en dieren. Al dit leven in zee is afhankelijk van elkaar: de een is het voedsel voor de ander. Fytoplankton vormt de basis van het grootste deel van het leven in zee. Het fytoplankton wordt gegeten door het zoöplankton, zoals roeipootkreeftjes, en larven van bodemdieren en vissen. Dit zoöplankton wordt gegeten door allerlei bodemdieren en kleine vissen als haring en sprot, en zij staan weer op het menu van grotere vissen als kabeljauw en schelvis. De vissen vallen ten prooi aan zeevogels, zeezoogdieren en mensen. Dit systeem van eten en gegeten worden heet voedselketen. De werkelijkheid is ingewikkelder dan hierboven beschreven. Zo eten planktondieren ook elkaar: vislarven bijvoorbeeld eten roeipootkreeftjes. Verder eten jonge vissen andere prooien dan volwassen vissen.

Schema voedselketen voor zeevissen